Franciscus werd in 1181 in Assisi (Midden-Italië) geboren en groeide op als zoon van een succesvolle lakenkoopman. Vanaf zijn twintigste maakte hij een langdurig bekeringsproces door, waarin hij brak met zijn ouders en de normen en waarden waar zij voor stonden. Hij werd rondtrekkende boeteprediker en kreeg na verloop van tijd broeders die met hem mee gingen doen. Hij liet een nieuw beeld van Jezus zien: Hij was ‘een arme en een vreemdeling die leefde van aalmoezen’, zoals hij zelf schrijft. Hij stond als geschapen mens niet boven de andere schepselen, maar voelde zich gelijkwaardig. Toen hij een sultan wilde bekeren, ontdekte hij dat het beter was om hem als gelijkwaardige te respecteren.